DOORKIJKWONING
Nederland, het land waar vitrage niet bestaat. Waar gordijnen altijd open zijn. Waar doorkijkwoningen de architectonische norm zijn geworden, niet de uitzondering.
Nieuwbouwwijk Leidsche Rijn, zondagmiddag. Ik fiets door een straat waar elk huis zijn binnenste laat zien zoals een sectie in een biologieboek. Glas van voor naar achter. Licht, ruimte, zichtbaarheid als ontwerpprincipes die op elke vastgoedsite worden aangeprezen alsof transparantie een deugd is in plaats van een architectonische keuze.
In Duitsland bouwen ze tuinmuren. In Frankrijk sluiten ze luiken. In Engeland hangen ze vitrage, die nette schaamte. Wij niet. Wij laten zien wat we hebben. Onze boekenkast. Onze eettafel. Ons leven, geopend, tentoongesteld, beschikbaar voor beoordeling.
We hebben niets te verbergen omdat openheid een deugd is. Transparantie als nationale identiteit, vastgelegd in baksteen en glas.
En dus kijken we. Constant. Door elkaars ramen, naar elkaars interieurs, in elkaars levens zonder het te noemen wat het is: surveillance vermomd als nieuwsgierigheid. We zien de bank van nummer 12. Het diner dat de buren bereiden. De televisie die drie huizen verderop aanstaat. We zien hun smaak, hun consumptie, hun normaliteit. We zien of ze hun gordijnen wassen, of hun meubels nieuw zijn, of ze op vakantie zijn geweest.
Maar we zagen niet dat zij bang was. Dat hij haar ophaalde van haar werk, elke dag, alsof ze een kind was dat niet zonder begeleiding door de stad kon. Dat ze in de tuin niet meer kwam terwijl het voorjaar de rozen tevoorschijn dwong. Dat haar vriendinnen niet meer langskwamen, die auto's die eerst elke dinsdag parkeerden en toen stopten. Dat ze steeds dunner werd, stiller, kleiner.
We keken door de ramen. We zagen alleen wat we wilden zien: meubels, een televisie, een gemaaid gazon. Een gezin. De nette buurman die groette, die de vuilnisbakken netjes neerzette, die zijn tuin onderhield met de toewijding van iemand die controle nodig heeft over tenminste iets.
Doorkijkwoningen. Maar culturele blindheid.
Socioloog Erving Goffman schreef over de "presentation of self", hoe we onszelf presenteren in het dagelijks leven als acteurs op een podium. In Nederlandse woonwijken is dat podium letterlijk zichtbaar: door de ramen. En de rol die we spelen is normaliteit. Netjes. Geordend. Geen problemen.
Geweld past niet in dat script. Geweld is abnormaal. Geweld is wat anderen doen, in andere buurten, andere klassen, andere culturen. Niet hier. Niet in deze straat met gemaaide gazons en mensen die hun vuilnisbakken op tijd buitenzetten.
Dus wanneer we signalen zien die niet passen in het normaliteitsscript, ruzies die te luid zijn, blauwe plekken die te vaak terugkomen, angst die zichtbaar is in hoe ze haar hoofd buigt als hij langsloopt, dan is het cognitief gemakkelijker om die signalen te herinterpreteren tot ze wél passen. Hij was gestrest. Zij is gevoelig. Alle stellen ruziën. Dit is normaal. Dit past.
Normaliteit maskeert geweld niet ondanks, maar dankzij onze transparantie. We kijken zo goed dat we alleen zien wat we verwachten te zien: de nette buurman, het gewone gezin met de hond.
Geweld dat niet in het plaatje past, filteren we eruit. Tot ze dood is. Dan pas is het abnormaal genoeg om te zien.
Die selectiviteit geldt ook administratief. Nederland heeft cijfers voor alles. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meet het aantal fietsen, varkens, tulpenbollen. We weten hoeveel mensen biologisch eten, hoe vaak we naar de tandarts gaan, hoeveel vierkante meter woonoppervlak de gemiddelde Nederlander heeft.
We meten, publiceren, visualiseren. Open data als religieuze overtuiging. Elk kwartaal nieuwe dashboards. Elke maand nieuwe infographics. Transparantie is geen keuze maar obsessie. We registreren elke nieuwbouwwoning, elk elektrisch voertuig, elke afgegeven vergunning voor een dakkapel. We zijn het land dat niets verbergt omdat we niets te verbergen hebben.
Behalve één ding.
Nederland houdt geen centrale, officiële, systematische statistiek bij van femicide. Geen CBS-dashboard met "Aantal vrouwen vermoord door ex-partner per jaar". Geen realtimecijfer zoals we wel hebben voor verkeersongevallen, fietsdiefstal, woninginbraken. Geen jaarrapport dat op Prinsjesdag wordt gepresenteerd naast het aantal varkens en tulpenbollen.
Intussen, in het buitenland:
Duitsland publiceert sinds 2023 jaarlijks de "Bundeskriminalamt"-rapportage met geslachtsspecifieke misdrijven tegen vrouwen. Duitse Binnenlandminister Nancy Faeser zei in oktober 2023: "Vrouwen worden onderworpen aan geweld en verliezen hun leven alleen omdat ze vrouwen zijn. Dit mag nooit gebeuren in een land als Duitsland." Officieel erkend. Jaarlijks gemeten. In 2023: 360 vrouwen vermoord, 155 door huidige of ex-partners. Bijna iedere dag een femicide, zegt de regering zelf.
Frankrijk publiceert via het Ministerie van Binnenlandse Zaken (MIPROF) jaarlijkse femicide-cijfers. In 2024: 107 vrouwen vermoord door partners. Ongeveer één vrouw elke 3,4 dagen. Maar meer nog: 403 poging-moorden binnen koppels, 47% hadden voorgaande aangifte bij politie, 81% had formeel klacht ingediend. Gedetailleerde data. Wapen. Locatie. Context. Gepubliceerd.
Het Verenigd Koninkrijk gebruikt het Homicide Index van het statistiekbureau én vult de gaten in met onderzoek van het Femicide Census-project. Ongeveer 100-120 vrouwen per jaar door mannen gedood. Ook zij: geregistreerd. Ook zij: gepubliceerd.
Nederland telt het niet centraal.
De data bestaat wel. Politie registreert elke "partnergeweld met dodelijke afloop", die eufemistische ambtenarentaal, alsof geweld een proces is met een neutrale uitkomst. Gemeenten weten het. Forensisch onderzoek documenteert het. Maar niemand telt het centraal. Niemand publiceert het systematisch. Niemand maakt er een dashboard van.
We tellen tulpenbollen. Maar niet dode vrouwen.
Transparantie voor consumptie. Blindheid voor geweld.
Elk jaar opnieuw moeten onderzoeksjournalisten alle politiekorpsen bellen, vragen, samenvoegen, schatten. Elk jaar opnieuw moet Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis, zelf tellen omdat de overheid het niet doet. Elk jaar opnieuw: ongeveer twintig tot dertig vrouwen. Misschien meer. We weten het niet precies.
Duitsland weet precies hoeveel: 155 in 2023. Frankrijk weet precies: 107 in 2024. Nederland weet het niet. We hebben het getal niet. We hebben de verplichting niet ingevoerd. We hebben het niet tot prioriteit gemaakt.
Dit is geen capaciteitsprobleem. Dit is geen budgetprobleem. Duitsland publiceert. Frankrijk publiceert. Nederland kan dit ook. We kiezen het niet.
Gemiddeld schrijf ik één essay in veertien dagen. Terwijl ik aan dit essay schrijf, gebeuren dingen.
4 februari 2024, Eindhoven. Nevin, 36 jaar oud, werkte in het nachtleven, in een café. Haar ex-partner kon de breuk niet accepteren. In de nacht voor haar dood: 72 telefoontjes tussen 22:09 en 01:17 uur. Tweeënzeventig. Zij nam geen enkele aan. Hij belde door. Toen hij haar vond in het café, stak hij haar 17 keer neer. Zeventien keer. Nevin stierf in de nacht, in het openbaar, in een café waar anderen waren. Dit waren geen subtiele signalen. Dit was obsessief gedrag, zichtbaar terwijl het gebeurde. Tweeënzeventig oproepen in minder dan drie uur. Het moment van scheiding, dit is wetenschappelijk vastgesteld, is het risicovenster waarop geweld het meest waarschijnlijk escaleert. Niemand had haar gewaarschuwd. Niemand had hem aangepakt.
Zijn eerste zitting: februari 2025. De officier van justitie eiste 22 jaar.
4 augustus 2025, Amsterdam. Lisa, 17 jaar oud. De zaak is nog niet afgerond. De eerste zitting vond plaats op 24 november 2025, terwijl ik dit schrijf. "Ongekend heftig," zeiden justitieverslaggevers. Ze was nog zo jong dat de zaak politiek geladen werd, afgekleurd door immigratiedebatten. Maar het blijft: een 17-jarige vrouw dood. Tijdens het schrijven van mijn essay.
15 juli 2025, Gouda. Joeweela de Gelder, 39. 18 juli 2025, Vlijmen. Jessica Brants, 38. Drie dagen tussen deze twee sterfgevallen. Dit is wat "elke 8 dagen" betekent: soms drie dagen. Twee vrouwen, drie dagen uit elkaar, twee dorpen, twee levens, volmaakt verloren.
25 augustus 2025, Assen. Een 72-jarige vrouw, gevonden in een kanaal. Haar 80-jarige partner had haar paspoort afgenomen. Haar bankkaarten. Ze wilde weg maar kon niet. Ze had geen eigen geld, geen ID, geen manier om te vertrekken. Dit was financiële controle als femicide-voorbode. Twee ouderen, dezelfde structuur van isolatie en controle die ook de jongere vrouwen doodt. De meeste vrouwen sterven niet door toeval. Ze sterven door een decennialange spiraal van langzaam verdwijnen. Geld verdwijnt. Vriendschappen verdwijnen. Autonomie verdwijnt. Tot op een dag het lichaam verdwijnt.
November 2025. Chantal, 23, zwanger. Pas gerapporteerd. Terwijl ik dit schrijf, gebeurt dit nog.
Zes vrouwen sinds ik aan dit essayboek ben begonnen. Misschien zeven, negen. We weten het niet precies. We hebben geen systeem.
Dit is de kern van het probleem: niet dat we het niet kunnen tellen. We kiezen niet te tellen.
In het café waar Nevin stierf, hoorden mensen de steekpartij. Ze zagen het gebeuren. Ze zagen een man een vrouw neersteken. Het was geen geheim geweld achter gesloten deuren. Het was publiek geweld in de nacht, zichtbaar, hoorbaar, onmiskenbaar.
En toch: niemand zag het aankomen. Niemand zei: dit escaleerde. Dit is gevaarlijk. We moeten iets doen.
Waarom niet? Omdat de signalen eerder niet ernstig genoeg leken. Omdat 72 telefoontjes in één nacht pas ernstig worden nadat je 17 steekwonden hebt opgelopen. Omdat het moment waarop je moet ingrijpen, het moment van scheiding, het moment van controle, het moment van obsessieve bellen, voelt alsof je je ermee bemoeit als je ingrijpt.
Privacy. Dat woord weer.
"Ik wil me er niet mee bemoeien. Dat zijn hun zaken. We moeten hun privacy respecteren."
Nederland, het land van open gordijnen, heeft opeens een privacy-obsessie wanneer het gaat om geweld. Opeens is privacy heilig. Opeens is bemoeizucht verkeerd. Opeens zijn relaties privé-domein waar niemand zich in mag mengen.
Maar privacy is geen excuus voor geweld. Privacy is geen recht dat daders beschermt. Privacy is geen muur waarachter we kunnen wegkijken.
We respecteren haar privacy niet wanneer we haar negeren. We respecteren zijn privacy wanneer we hem beschermen.
Zij heeft meer aan iemand die ingrijpt dan aan buren die haar privacy respecteren. Zij heeft meer aan iemand die de politie belt dan aan iemand die wegkijkt. Zij heeft meer aan iemand die vraagt: gaat het wel? Zij heeft meer aan iemand die zegt: je kunt hier blijven vannacht als je niet naar huis durft.
Maar wij besloten dat privacy belangrijker is. Dat bemoeizucht ongemakkelijk is. Dat ingrijpen te ver gaat.
Dit is hoe Nederland werkt: gedogen. Tolereren zonder te accepteren. Kijken zonder te zien. Weten zonder te handelen.
We gedogen sekswerk maar verachten sekswerkers. We gedogen drugs maar criminaliseren dealers. We gedogen euthanasie maar praten niet over dood. En we gedogen geweld tegen vrouwen maar doen alsof elk incident een verrassing is.
Gedogen is onze nationale uitvinding. Een systeem waarbij we dingen toestaan zonder verantwoordelijkheid te nemen. Een systeem waarbij we kijken maar niet hoeven te handelen. Een systeem waarbij we zeggen: het is legaal, het is geregistreerd, we weten ervan, maar we doen er niks aan.
We gedogen dat mannen vrouwen controleren. We gedogen dat vrouwen aangifte doen en niks gebeurt. We gedogen dat contactverboden worden genegeerd. We gedogen dat hulpverlening te weinig capaciteit heeft. We gedogen dat politie te laat komt. We gedogen dat rechters haar woord niet geloven.
We gedogen het allemaal. Tot ze dood is. En dan zijn we verbaasd.
Alsof gedogen geen keuze is. Alsof tolereren hetzelfde is als accepteren. Alsof kijken hetzelfde is als zien.
Maar gedogen is geen neutraliteit. Gedogen is een keuze om niet te handelen. Een keuze om de status quo te handhaven. Een keuze om het systeem dat faalt, te laten bestaan.
We gedogen femicide. Elke acht dagen. Terwijl andere landen tellen.
Makkelijk om te zeggen: Nederland faalt. Het systeem faalt. De overheid faalt. De politie faalt. De rechtspraak faalt. Alsof "Nederland" een abstracte entiteit is, ergens buiten onszelf, die we kunnen bekritiseren zonder naar onszelf te hoeven kijken.
Maar Nederland zijn wij.
Het CBS dat niet systematisch telt, bestaat uit ambtenaren die avonds naar huis gaan naar hun gezin. Die hun eigen ramen hebben, hun eigen buren, hun eigen keuzes. Die elk jaar weer besluiten dat femicide-registratie geen prioriteit is. Die elk jaar weer andere dingen belangrijker vinden om te meten: varkens, tulpenbollen, dakkapellen.
De politie die niet genoeg doet, zijn mensen die ook in straten wonen, die ook buren zijn. Die horen wat wij horen. Die zien wat wij zien. Die een melding krijgen, praten, een waarschuwing geven, en weer vertrekken. Die beslissen dat het niet urgent genoeg is, dat een contactverbod niet nodig is, dat het wel los zal lopen.
De rechtspraak die "onvoldoende bewijs" oordeelt, bestaat uit rechters die ook partners hebben, kinderen, families. Die elke dag beslissen wiens woord zwaarder weegt. Die haar woord onvoldoende vinden zonder foto's, zonder getuigen, zonder bewijs. Die denken: misschien overdrijft ze. Misschien vergist ze zich. Misschien is het zo erg niet.
En wij. Wij die door de ramen kijken en zijn tuin zien. Wij die horen dat de buren ruzie maken en denken: dat zijn hun zaken. Wij die merken dat zij niet meer in de tuin komt, niet meer met vriendinnen afspreekt, niet meer lacht, en denken: misschien vergis ik me. Misschien is het niet zo erg als het lijkt. Misschien maak ik het erger als ik me ermee bemoei.
Wij die in doorkijkwoningen wonen en besloten dat kijken niet hetzelfde is als zien.
Daarom noemen we hem "nette buurman" na afloop. Niet omdat hij netjes was, hij vermoordde haar tenslotte, maar omdat wij onze eigen keuzes moeten rechtvaardigen.
Als hij netjes was, hadden wij het niet kunnen weten. Als hij vriendelijk groette, hadden wij geen reden om alarm te slaan. Als hij zijn tuin onderhield, hoe hadden wij kunnen vermoeden dat hij gevaarlijk was?
"Nette buurman" is geen beschrijving van hem. Het is een rechtvaardiging voor ons. Een excuus dat we onszelf vertellen om niet te hoeven erkennen dat we wél signalen zagen maar besloten te negeren. Dat we wél dingen hoorden maar besloten dat het ons niet aanging. Dat we wél vonden dat er iets mis was maar besloten dat ingrijpen ongemakkelijker was dan wegkijken.
Niet elke moord kondigt zich luid aan. Niet elk huis heeft hoorbare ruzies. Maar in een te groot deel van de zaken waren er wel signalen, signalen die we liever herinterpreteerden dan erkenden.
Want de waarheid is dat we vaak wél signalen hadden. We hoorden de ruzies. We zagen dat ze veranderde. We merkten dat hij haar controleerde. Buren vertellen later altijd: "Nu je het zegt, er was wel iets vreemds."
Maar tijdens? Tijdens besloten we dat het niet onze verantwoordelijkheid was. Dat we ons er niet mee moesten bemoeien. Dat het tussen hen was. Dat privacy belangrijk is. Dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun relaties. Dat we misschien te ver gingen als we ervan uitgingen dat hij gevaarlijk was op basis van wat eigenlijk? Een gevoel? Een vermoeden? Ruzies die we door de muur hoorden?
Ja. Precies dat.
Maar we besloten dat een gevoel niet genoeg was. Dat een vermoeden niet genoeg was. Dat ruzies normaal zijn. Dat we niet het recht hadden om te oordelen.
Allemaal waar. Allemaal redelijk. Allemaal excuses.
Dit is cognitieve dissonantie in zijn zuiverste vorm. We hebben twee tegenstrijdige feiten: hij vermoordde haar, en hij was netjes, vriendelijk, normaal. Beide kunnen niet waar zijn. Een moordenaar kan geen nette buurman zijn. Een nette buurman kan geen moordenaar zijn. Ons brein weigert de paradox te accepteren.
Dus kiezen we. En we kiezen niet willekeurig. We kiezen het feit dat ons beschermt.
Als hij een monster was, overduidelijk gevaarlijk, abnormaal, afwijkend, dan hadden wij moeten handelen. Dan waren wij nalatig. Dan zijn wij medeplichtig.
Maar als hij netjes was, normaal, onvoorspelbaar, "niemand had het kunnen weten", dan zijn wij onschuldig. Dan konden we het niet weten. Dan is het niet onze schuld.
Dus houden we hem netjes. Post-mortem. Als psychologische zelfverdediging. We reconstrueren hem als normaal zodat wij niet hoeven te erkennen dat we abnormaal handelden: door niets te doen terwijl we wel zagen.
"Nette buurman" lost de dissonantie op. Niet voor hem, hij is dood of gevangen. Maar voor ons. Het stelt ons gerust. Het zegt: je kon het niet weten. Je hebt niks fout gedaan.
Maar dat is de leugen die we kiezen te geloven.
Want zij is dood. En wij vertellen onszelf: hij was zo netjes. Niemand had het kunnen weten.
Maar we liegen.
De overheid zou kunnen meten. Het zou zelfs makkelijk zijn. Politiekorpsen registreren al elke "partnergeweld met dodelijke afloop" in hun systemen. De informatie bestaat. Ze zit alleen gefragmenteerd, regionaal, niet-gecentraliseerd.
Het CBS zou deze data kunnen verzamelen. Centraliseren. Een dashboard maken zoals ze hebben voor verkeersongevallen, werkloosheid, inflatie. Jaarlijks publiceren. Elke Prinsjesdag presenteren naast de varkens en tulpenbollen.
Duitsland doet dit. Frankrijk doet dit. Het Verenigd Koninkrijk supplementeert met NGO-onderzoek als de regering gaten laat. Nederland kan dit ook. We kiezen het niet.
"In 2024 werden X vrouwen vermoord door hun ex-partner." "Dat is 1 vrouw elke X dagen." "Van deze vrouwen hadden X procent eerder aangifte gedaan van huiselijk geweld." "X procent had een contactverbod aangevraagd." "X procent had contact gehad met hulpverlening." "In X procent van de gevallen waren er eerdere politiemeldingen."
Dit zou ons dwingen te kijken. Elk jaar opnieuw. Het patroon zou onontkenbaar worden. We zouden niet meer kunnen zeggen: incident, afwijking, uitzondering. We zouden moeten erkennen: dit is niet een reeks individuele drama's maar een systemisch probleem.
Tellen redt niemand direct. Maar niet tellen is een beslissing om niet eens te hoeven erkennen wie er sterft, en waarom.
Dus meten we het niet. Niet systematisch. Niet centraal. Niet transparant.
We bouwen doorkijkwoningen maar weigeren door te zien. We claimen administratieve transparantie maar houden femicide-data gefragmenteerd.
Dat is geen technisch probleem. Dat is geen capaciteitsprobleem. Dat is geen budgetprobleem.
Dat is een keuze. Onze keuze. Collectief. Om niet te willen weten wat we al weten.
Want als we systematisch zouden meten, zouden we systematisch moeten handelen. En dat is ongemakkelijk. Dat vergt geld, tijd, prioriteit. Dat vergt dat we erkennen dat het huidige systeem faalt. Dat politie, rechtspraak, hulpverlening, onderwijs, cultuur gefaald hebben om vrouwen te beschermen.
Dat is het verschil tussen een incident en een patroon. Een incident kan je betreuren en doorleven. Een patroon vergt verandering.
Dus noemen we het incident. Drama. Gezinsdrama. Tragisch geval. Uitzondering.
En we blijven onze statistieken perfectioneren.
Ze was stiller. Ze lachte minder. Ze kwam niet in de tuin. Ze kon niet weg. Ze had geen geld, geen paspoort, geen eigen keuze.
We zagen het. Door onze open ramen. In onze doorkijkwoningen.
We keken en besloten het niet te willen zien.
Want dat is de culturele blindheid van een land zonder vitrage: we zien alles behalve wat ertoe doet. We kijken door ramen, door vingers, door moorden heen.
We tellen tulpenbollen. Maar niet dode vrouwen.
We bouwen doorkijkwoningen. Maar niet doorzicht.
We zijn het land van transparantie. Maar alleen voor wat we willen zien.
En elke acht dagen sterft er weer een vrouw.
Terwijl wij kijken. Terwijl Duitsland telt. Terwijl Frankrijk publiceert. Terwijl anderen handelen.
En wij? Wij besluiten dat dit niet onze zaak is. Dat dit privé is. Dat we ons er niet mee moeten bemoeien.
Tot ze dood is. En dan zeggen we: wat een nette buurman. Niemand had het kunnen weten.
Maar in te veel gevallen wisten we het. We zagen het. We hoorden het. We weigerden te handelen.
Dat is het verschil. Niet tussen schuld en onschuld. Maar tussen passiviteit en medeplichtigheid. Tussen wegkijken en zien.
We kijken door open gordijnen in doorkijkwoningen.
We zien alles behalve wat ertoe doet.
