MISOGYN VARKEN
“IK HAAT WIJVEN”
“Wijven haten jou. Maar ik hou wel van jou, hou je daar maar lekker warm mee. Dikke knuffel.”
Dit is een vriendschap van vijftien jaar.
I.
Ik noem hem liefkozend Misogyn Varken. Male Chauvinist Pig. Niet achter zijn rug; tegen zijn gezicht. Of wat daarvoor doorgaat: een profielfoto op Messenger, een groen bolletje dat aangeeft dat hij online is, een stroom berichten die verschijnt op mijn scherm alsof ze uit het niets materialiseren.
We hebben elkaar nog nooit in het echt gezien.
Vijftien jaar vriendschap en ik zou hem niet herkennen op straat. Ik zou hem niet herkennen op een feestje, in een supermarkt, in een rechtszaal. Hij bestaat voor mij alleen als tekst. Als woorden in een chatvenster. Als kapitalen die over mijn scherm rollen met de subtiliteit van een vrachtwagen die een bloemenveld inrijdt.
“DOMME DOZENNNNNNNN”
“DE HOMOOOOOOOOOOOS”
“Laffe tutten”
“simps mogen dus ook dood”
Dit is zijn vocabulaire. Dit is de grammatica van het Varken. Je zou kunnen zeggen dat hij een beperkt register heeft, maar wat hij mist aan nuance compenseert hij met volume en creativiteit in het rekken van klinkers.
Ik ken mensen die na één zo’n bericht zouden blokkeren, unfrienden, ghosten. Die de digitale hygiëne zouden toepassen die progressief Nederland ons voorschrijft: toxische mensen verwijderen, je feed cureren, je bubbel beschermen. Ik ken mensen die me zouden veroordelen voor het feit dat ik dit lees, laat staan beantwoord, laat staan met een dikke knuffel.
Maar hier zit ik. Al vijftien jaar. En ik ga nergens heen.
Dit essay gaat over de vraag wat vriendschap betekent wanneer morele kaders niet langer samenvallen. Wat er overblijft als je het niet eens bent over wie de wereld kapotmaakt, maar wel blijft praten. Wat loyaliteit is als loyaliteit niet langer vanzelfsprekend is.
II.
We leerden elkaar kennen via de vader van mijn dochter. Zij deelden een atelier, ergens in de jaren dat ik nog dacht dat relaties voor altijd waren en dat mensen niet van twaalf meter hoogte konden vallen.
Dat wist ik toen nog niet. Van die twaalf meter.
Tussen 2011 en 2019 appten we regelmatig. Niet over de grote vragen van het bestaan, maar over de kleine onmogelijkheden van het leven. Mijn relatie die niet werkte. Zijn observaties over de wereld. Grappen, vooral. Hij is een van de weinige mensen die ik ken die echt grappig is. Niet grappig op de manier waarop mensen zeggen dat ze grappig zijn op Tinder, maar grappig op de manier waarop je om drie uur ’s nachts je telefoon pakt omdat je nog steeds ligt te lachen om iets wat hij zes uur eerder stuurde. Grappig op de manier die je niet kunt uitleggen aan anderen zonder dat het klinkt als: “Je moest erbij zijn.” Je moest erbij zijn.
De vader van mijn dochter was ook zo. Die twee deelden niet alleen een atelier maar ook een soort humor die je zelden tegenkomt: wreed, precies, onverbiddelijk. De humor van mannen die de wereld te scherp zien en er niet over willen huilen, dus lachen ze. Hij is inmiddels overleden, de vader van mijn dochter. Het Varken leeft nog. Soms denk ik dat humor een soort overlevingsmechanisme is, en dat de mensen die het bezitten ofwel eeuwig leven ofwel veel te vroeg sterven. De statistieken zijn niet hoopgevend.
In 2019 werd het stil.
Geen ruzie. Geen afscheid. Geen “ik wil je niet meer spreken.” Gewoon: stilte. Zoals vriendschappen soms verstommen zonder dat iemand de stekker eruit trekt. Zoals je op een dag beseft dat je al maanden niet meer hebt geappt met iemand die je ooit dagelijks sprak.
Ik wist niet waar hij was. Ik wist niet hoe het met hem ging. Ik wist niet dat hij in Spanje woonde.
Ik wist niet dat hij gevallen was.
III.
Twaalf meter.
Dat is de hoogte van een flatgebouw van vier verdiepingen. Van een oude eik. Van de sprong die je niet overleeft, tenzij je hem wel overleeft, en dan begin je opnieuw. Met fysio. Met pijn. Met het besef dat je lichaam je heeft verraden door niet te sterven.
Hij viel twaalf meter naar beneden. Lag een jaar in het ziekenhuis. Deed er vier jaar over om weer te leren lopen. Verloor zijn relatie. Ik zou zeggen dat het een slechte periode was, maar dat voelt als understatement van het decennium.
Ik weet niet precies wat er is gebeurd. Ik weet niet of hij viel of sprong of gleed. Ik weet niet of zijn vriendin wegging omdat hij viel of omdat hij daarna veranderde of omdat ze al aan het weggaan was voordat hij viel. Ik weet alleen wat hij me vertelde, in fragmenten, tussen de berichten door over wijven en simps en homos.
Ik ga niet doen alsof ik begrijp hoe het is om een jaar in een ziekenhuisbed te liggen. Om je benen niet te kunnen bewegen. Om te leren wat je als kind al kon: staan, stappen, lopen. Om dan op te kijken en te zien dat de vrouw van wie je hield er niet meer is. Dat je vrienden er niet meer zijn. Dat alles wat je had is verdampt terwijl jij lag te wachten tot je lichaam weer deed wat lichamen horen te doen.
Hij is veranderd na de val. Natuurlijk is hij veranderd. Je valt niet twaalf meter naar beneden en staat op als dezelfde persoon. Zijn lichaam brak. Zijn relatie brak. Zijn vriendschappen braken. En ergens in die breuk is iets gaan groeien dat nu “IK HAAT WIJVEN” typt in kapitalen.
Ik ga niet doen alsof zijn vrouwenhaat daardoor gerechtvaardigd is. Maar ik ga evenmin doen alsof ik niet zie dat er iets is gebroken dat verder gaat dan botten.
IV.
Zijn Facebook-posts zijn een masterclass in provocatie. Of een cry for help. Of performance art. Ik heb het na vijftien jaar nog niet helemaal uitgevogeld.
“Bij linkse FBers mis ik altijd humor, lef, speelsheid, losheid en niet noodzakelijk moeten deugen nonstop. Heb jij dat ook?”
“Wat vind jij van neusringen bij vrouwen?”
“Volgens moslims is eerwraak helemaal niet islamitisch. Maar is dat wel zo?”
“En al die femicide, vrouwenverkrachting, gesis.. zijn dat procentueel nou meer buitenlandse mannen, of juist niet?”
“Welke rellen vinden jullie leuker? Die van links of rechts?”
Hij post dit op felroze achtergronden, de kleuren van een Pride-vlag die door een vleesmolen is gehaald. Hij wil reacties. Hij wil verontwaardiging. Hij wil dat iemand bijt. Het is zijn equivalent van vissen, maar dan met dynamiet, in een zwembad, op een kinderfeestje.
Dit is nieuw. De gesprekken over feminisme, over wijven, over wie de wereld kapotmaakt: dat is allemaal van de afgelopen maand. Vroeger praatten we over mijn relatie die niet werkte. Over zijn werk. Over niets en alles. Nu praten we over de genderoorlog, en ik weet niet precies wanneer dat is begonnen of waarom.
En ik?
Ik scroll erlangs. Soms reageer ik, meestal niet. Ik ken de dans. Hij provoceert, iemand hapt, hij provoceert harder, de comments exploderen, hij leunt achterover en kijkt. Het is zijn sport. Zijn hobby. Zijn manier om te bewijzen dat de wereld precies zo hypocriet is als hij denkt.
Het vreemde is: soms heeft hij een punt.
Niet over vrouwen. Niet over de “feminisering” die “alles kapotmaakt.” Niet over “wijven van de New Age” of “islamgeknuffel.” Daar heeft hij geen punt. Daar heeft hij een vooroordeel dat hij heeft opgeblazen tot een wereldbeeld.
Maar over de humorloosheid van bepaald links. Over het nonstop moeten deugen. Over de lafheid die zich vermomt als voorzichtigheid. Over mensen die “interessant” zeggen als ze bedoelen “hou je bek.”
Daar zit iets in.
Niet dat ik het hem ga vertellen.
V.
“Women hate other women. Period.”
Dit stuurt hij me. Een Engelstalig citaat, met daaronder zijn commentaar: “Helen is 1000% correct.”
Helen Andrews, leer ik na een snelle Google, is een conservatieve Amerikaanse columniste die een podcast host genaamd “Free Expression.” Ze heeft een video gemaakt: “Are Women To Blame For Wokery?” De stelling is dat vrouwen, door hun toetreding tot universiteiten en instituties, een cultuur van “safetism and safe spaces” hebben gecreëerd. “Tone and language policing over academic freedom and free expression; subjectivism and ‘my truth’ over objectivity and the truth.”
Het Varken stuurt me dit als bewijs. Als smoking gun. Als “neem dat mee in je Batemanboek!”
Ik heb hem ooit verteld over een romanidee: een Patrick Bateman-achtige figuur die gerehabiliteerd is en feminist is geworden. Hij noemt het sindsdien “mijn Batemanboek.” Hij vindt het hilarisch. Ik weet niet of hij het hilarisch vindt omdat het een goed idee is of omdat hij denkt dat het onmogelijk is. Waarschijnlijk het tweede.
Ik lees het bericht. Ik lees de samenvatting van de video. Ik denk aan alle manieren waarop dit fout is: de oversimplificatie, de correlatie die geen causaliteit is, de bizarre aanname dat de wereld beter was toen vrouwen minder macht hadden. Ik denk ook: dit is wel heel makkelijk. Een YouTube-video als bewijslast. We zijn ver gekomen sinds de Verlichting.
En dan denk ik: hij gelooft dit echt.
Dit is geen pose. Dit is geen provocatie omwille van provocatie. Dit is een man die echt, oprecht, met volle overtuiging gelooft dat vrouwen de wereld hebben verpest.
En die mijn essay deelde.
VI.
In oktober 2025 werd ik genomineerd voor de Joost Zwagerman Essayprijs.
Het essay heette “Onbehaaglijk Vrouwelijk Verlangen.” Het ging over vrouwelijke seksualiteit in een land dat zegt dat alles mag maar eigenlijk bedoelt: tot hier en niet verder. Over de vraag die een twaalfjarig meisje stelt in een gymzaal en het antwoord dat ze niet krijgt. Over gedogen als voorwaardelijke tolerantie.
Het Varken deelde het.
Op zijn Facebook, tussen de posts over wijven en simps en de feminisering van alles, deelde hij mijn essay over vrouwelijk verlangen.
Waarom?
Niet omdat hij het eens was met mijn feminisme. Niet omdat hij plotseling vrouwen respecteerde. Niet omdat hij bekeerd was.
Hij deelde het omdat ik iets aan de kaak stelde. Omdat ik de hypocrisie van progressief Nederland fileerde. Omdat ik, ondanks alles wat ons scheidt, ook boos was op iets. En boosheid herkent boosheid, zelfs als ze in tegenovergestelde richtingen wijst.
Ik zag de share. Ik keek naar zijn profiel. Ik zag dat hij niet meer in Nederland woonde.
Ik appte hem.
Niet: “Waarom deel je dit?” Niet: “Wat vind je ervan?” Niet: “Ben je nog steeds een varken?”
Ik appte: “Wat doe jij met kerstmis? Je mag wel bij ons meedoen.”
VII.
“KERST IS VOOR HOMO’S”
Dit was zijn antwoord.
Gevolgd door:
“Nee, ik ga nr t zuiden wellicht. Huisje huren en de hele dag aan mn lul harken”
“Maar bedank!”
Ik staarde naar mijn scherm. Ik had hem zojuist uitgenodigd voor kerst bij mij thuis, met mijn gezin, met mijn dochter, met waarschijnlijk een kerstboom en glühwein en al die dingen die hij blijkbaar associeert met homoseksualiteit. Ik wist niet dat hij in Spanje woonde. Ik wist niet dat hij niet meer kon lopen zoals vroeger. Ik wist niet dat hij de afgelopen vijf jaar had besteed aan opnieuw leren wat zijn lichaam was vergeten. Ik nodigde hem uit voor gezelligheid en hij gaat aan zijn lul harken in het zuiden.
Dat is ook een antwoord. Niet het antwoord dat Hallmark zou kiezen voor hun kerstkaarten, maar een antwoord.
VIII.
De vraag die ik krijg, de vraag die ik mezelf stel, is: waarom?
Waarom ben ik bevriend met iemand die zegt dat vrouwen alles kapotmaken? Die “simps mogen ook dood” typt zonder ironie? Die Helen Andrews citeert alsof ze de nieuwe Simone de Beauvoir is, maar dan in spiegelbeeld en met een YouTube-kanaal?
Ik heb antwoorden. Sommige zijn bevredigender dan andere.
Omdat ik hem graag mag. Gewoon. Simpel. Ik mag hem graag zoals je iemand graag mag die je aan het lachen maakt, die je niet verveelt, die zegt wat hij denkt ook als wat hij denkt verwerpelijk is. Ik mag hem graag ook al staat zijn mening vaak haaks op die van mij. Misschien juist daarom. Er is iets verfrissends aan iemand die niet doet alsof.
Omdat we elkaar al vijftien jaar kennen en dat iets betekent, ook als ik niet precies kan uitleggen wat.
Omdat hij nooit liegt. Nooit draait. Nooit “interessant” zegt terwijl hij “afschuwelijk” bedoelt. Als hij vindt dat je stom bent, zegt hij dat je stom bent. Er is iets rustgevends aan die transparantie, hoe lelijk de inhoud ook is.
Omdat ik, ergens, herken wat hij mist bij “linkse FBers.” De humor. Het lef. De speelsheid. Het niet noodzakelijk hoeven deugen. Niet zijn conclusies, wel zijn irritatie.
Omdat hij mijn essay deelde. Omdat hij, na alles, iets in mijn werk herkende dat hij wilde verspreiden. Omdat die ene daad meer zegt over wie hij is dan honderd posts over wijven.
Omdat vriendschap geen examen is waarbij je alle vragen goed moet beantwoorden om te slagen.
Of misschien: omdat ik moe ben van een wereld waarin iedereen het met me eens moet zijn om in mijn leven te mogen bestaan.
IX.
“Ik heb ook geen respect voor stelletjes”
Dit stuurt hij. Apropos van niets. Het is dinsdag. Ik drink koffie. Mijn telefoon licht op met dit pareltje van menselijke warmte.
“Altijd zie je een man die vanalles weet, soms zelfs humor heeft, en daar dan 1 of ander dom veulen naast”
“Maar die weet dan weer die gozer goed te bespelen ofzo”
“Voor haar karretje te spannen”
Ik lees dit en denk: dit is projectie. Dit is een man die een relatie verloor en nu alle relaties veroordeelt. Dit is pijn die zich heeft omgevormd tot filosofie. Het is niet de eerste keer dat iemand zijn hartenpijn omzet in een wereldbeeld, maar de meesten hebben het fatsoen om er een deprimerende roman van te maken in plaats van Facebook-posts.
Maar ik zeg niets.
Niet omdat ik het ermee eens ben. Niet omdat ik hem wil sparen. Maar omdat ik heb geleerd dat sommige gesprekken nergens toe leiden. Dat sommige overtuigingen niet te veranderen zijn met argumenten. Dat sommige mensen alleen veranderen door te leven, niet door te luisteren.
En dus laat ik hem razen. Ik lees zijn berichten zoals je naar een storm kijkt: indrukwekkend, gevaarlijk, buiten je controle.
En daarna stuur ik: “Slaap lekker en droom zoet. Omarm dat warme gevoel. Zoen.”
X.
De asymmetrie is niet te ontkennen.
Ik noem hem Misogyn Varken. Hij noemt mij Kat. Soms verkeerd: “KAT!” terwijl mijn naam Kaatje is. Na vijftien jaar. Ik zou beledigd kunnen zijn, maar het past wel. Hij haat vrouwen in het algemeen, maar kan zich de details niet herinneren.
Ik lees zijn pleidooien bij de koffie. Leest hij de mijne? Ik nodig hem uit voor kerst. Hij gaat aan zijn lul harken. Ik stuur hem hartjes. Hij stuurt me YouTube-video’s over waarom vrouwen de beschaving vernietigen.
Ik accepteer zijn mening. Accepteert hij de mijne, of tolereert hij mijn aanwezigheid zoals je een excentrieke tante tolereert die rare dingen zegt op feestjes maar die je niet uitnodigt voor de belangrijke gesprekken?
Ik weet het niet.
Ik weet wel dit: hij deelde mijn essay over vrouwelijk verlangen. Hij, die vrouwen haat, deelde een essay van een vrouw over het verlangen van vrouwen. Hij las het. Hij vond het deelwaardig. Hij dacht: dit moet de wereld zien.
Dat is geen bekering. Dat is geen hoop. Dat is geen bewijs dat hij “eigenlijk wel oké” is.
Het is gewoon: een feit. Een daad. Een keuze die hij maakte.
En ik kan kiezen om die daad zwaarder te laten wegen dan honderd berichten over wijven. Of ik kan kiezen om die berichten zwaarder te laten wegen dan die ene daad.
Ik kies geen van beide.
Ik kies: dit is wie hij is. Allebei. Tegelijk. De man die vrouwen haat en de man die mijn essay deelde. De man die van twaalf meter viel en de man die weer leerde lopen. Het varken en de vriend.
XI.
Ik ga hem niet veranderen. Dat weet ik. Maar het punt is: ik wil het ook niet.
Dit is misschien het moeilijkste om uit te leggen, vooral aan mensen die denken dat elke relatie een verbeterproject is, een fixer-upper, een kans om iemand te redden van zichzelf. Ik respecteer dat iemand een andere mening heeft dan ik. Ik respecteer dat hij denkt wat hij denkt, ook als wat hij denkt mij als vrouw reduceert tot een categorie die hij veracht. Respect betekent niet instemming. Het betekent: ik neem je serieus genoeg om het oneens met je te zijn zonder je te willen herschrijven.
Vijftien jaar, en hij is veranderd. Na de val, na het verlies, na alles. Hij is veranderd in een richting die ik niet had gekozen voor hem. Maar het is niet aan mij om richtingen te kiezen voor andere mensen. Dat is het hele punt van andere mensen: ze zijn niet van jou.
Ik ga hem niet redden. Ik ga hem niet genezen. Ik ga niet de vrouw zijn die bewijst dat niet alle vrouwen zijn zoals hij denkt, waardoor hij langzaam leert om ons te respecteren. Dat is een script uit een slechte romcom, en ik weiger het te spelen.
Wat ik wel doe: af en toe lezen wat hij stuurt. Af en toe reageren. Af en toe “Misogyn varken” typen en een hartje sturen. Hem graag mogen, ondanks alles, of misschien juist vanwege alles.
Meer niet. Meer hoeft niet.
Is dat genoeg? Is dat te veel? Is dat verraad aan mijn feminisme, aan mijn principes, aan alle vrouwen die hij met zijn woorden beledigt?
Ik weet het niet.
Ik weet wel dat ik in een land woon waar iedereen tolerantie predikt maar niemand verdraagt. Waar we “diversiteit” zeggen maar homogeniteit bedoelen. Waar we andere meningen claimen te respecteren zolang ze niet te ver van de onze afwijken.
Het Varken wijkt af. Ver. Te ver, zouden de meesten zeggen.
En toch: hij is er nog. In mijn telefoon. In mijn leven. Na vijftien jaar.
Misschien is dat het enige wat ik kan zeggen. Niet dat het goed is. Niet dat het verkeerd is. Alleen dat het is.
XII.
“Nee, Kaatje, na 15 jaar ken je mijn naam nog niet. Zucht. Misogyn varken.”
“IK HAAT WIJVEN”
“Wijven haten jou. Maar ik hou wel van jou, hou je daar maar lekker warm mee. Dikke knuffel.”
Morgen appt hij weer. Over wijven, over simps, over hoe alles kapot is en wie de schuld heeft. Spoiler: het zijn de vrouwen. Het zijn altijd de vrouwen. Ik lees het tussen de bedrijven door, tussen het schrijven en het moeder-zijn en het proberen te overleven in een wereld die niemand van ons heeft gemaakt.
Ik noem hem een varken. Hij noemt mij Kat.
We gaan door.
Zoals je doorgaat met iemand die je kent. Zoals je doorgaat met een plek in je leven die er nu eenmaal is, niet omdat je hem hebt gekozen maar omdat hij er was toen je aankwam en er nog steeds is nu je weggaat.
Hij bestaat voor mij als woorden op een scherm. Een man zonder lichaam. Een stem zonder gezicht. Een vrouwenhater die mijn essay over vrouwen deelde en vervolgens zei dat kerst voor homo’s is.
Ik heb hem nog nooit in het echt gezien.
Misschien is dat waarom het werkt.
Misschien kun je alleen bevriend zijn met een misogyn varken als hij geen lichaam heeft. Als hij puur tekst is. Als je zijn woede kunt lezen als literatuur in plaats van als dreiging. Als je kunt kiezen welke zinnen je serieus neemt en welke je laat verdampen in de ruimte tussen jullie schermen.
Of misschien is dat een leugen die ik mezelf vertel om te rechtvaardigen wat niet te rechtvaardigen is.
Hier is wat ik weet.
Ik accepteer niet wat hij zegt. Ik accepteer dat hij het zegt. Dat is het verschil. Het is een smal verschil, en sommigen zullen zeggen dat het geen verschil is, dat tolereren hetzelfde is als goedkeuren, dat luisteren hetzelfde is als instemmen.
Maar ik geloof dat niet. Ik geloof dat je iemand kunt kennen zonder hem gelijk te geven. Dat je van iemand kunt houden zonder van zijn ideeën te houden. Dat vriendschap niet betekent dat je het eens bent, maar dat je blijft, ook als je het oneens bent. Vooral dan.
Dit is geen verdediging van hem. Dit is geen verdediging van mij. Dit is alleen een beschrijving van wat is: een vrouwenhater en een feministe die al vijftien jaar praten zonder elkaar ooit te hebben gezien.
“SLAAP MAAR GOEEEEEEE”
Ik slaap.
Morgen begint het opnieuw.
