VOGELVRIJ
Wij zeggen dat vrouwen beschermd zijn door het recht.
De cijfers zeggen dat vrouwen beschermd zijn door toeval.
Seksueel geweld is formeel een misdrijf, maar materieel een blinde vlek. Wie naar de statistieken kijkt, ziet een paradox die bijna obscene proporties aanneemt: minder dan één procent van de meldingen leidt tot een veroordeling. Eén procent. Een cijfer dat niet meer het functioneren van een rechtsstaat beschrijft, maar het falen ervan.
We weten waarom. Seksueel geweld leent zich zelden tot het soort bewijs waarop het strafrecht gebouwd is. Geen getuigen. Geen camerabeelden. Vaak geen forensisch spoor. Een psychologisch ontwrichte verklaring die altijd minder consistent is dan de verdachte zal beweren. Een systeem dat contradicties leest als ongeloofwaardigheid, terwijl elke traumadeskundige kan uitleggen dat variatie in detail juist een erkenbaar patroon is.
De rechtspraak volgt ondertussen een logica die in theorie nobel is. Niemand mag op basis van één verklaring worden veroordeeld. Dat is het fundament van een vrije samenleving. Maar in dit domein werkt diezelfde beschermingslogica als een sluier die de werkelijkheid verduistert. Want als een delict bijna nooit extra bewijs achterlaat, maar het recht dat extra bewijs wel verplicht stelt, ontstaat geen rechtsbescherming. Er ontstaat een wiskundige zekerheid dat daders wegkomen.
De jure zijn vrouwen dus geen vogelvrij wild. De facto wel.
Dat is geen aanval op politie of parket. Zij opereren binnen de parameters van een wet die voor andere delicten ontworpen is. Het probleem is structureel. We vragen het strafrecht om een taak die het met deze instrumenten onmogelijk kan vervullen.
Het enige volwassen gesprek begint daar.
Wie dit probleem ernstig wil nemen, moet stoppen met de karikatuur dat hervorming automatisch leidt tot heksenjachten of willekeur. Dat is een schrikbeeld dat elke vernieuwing blokkeert. Het alternatief is echter even ondenkbaar: een maatschappij waarin seksuele autonomie principieel beschermd is, maar praktisch gezien afhankelijk is van geluk, sporen, of een toevallige getuige.
Er zijn oplossingen. Ze liggen niet in meer morele verontwaardiging, maar in een ander bewijsbegrip. In het erkennen van consistentieanalyse, patroonherkenning, digitale sporen, gedragskundige context. In een juridisch model dat begrijpt dat seksueel geweld zelden een zichtbaar litteken achterlaat, maar altijd een herkenbare dynamiek.
Zolang het bewijsrecht niet moderniseert, blijft het strafrecht een decor. Een ritueel zonder resultaat. En blijft die ene procent geen statistiek, maar een vonnis over de rest van ons.
Geen enkele rechtsorde die zichzelf respecteert kan dat accepteren.

